zondag 29 juli 2007

kosciélniki

(4)

Mijn wens om staal te zien (neen, ik weet niet waar dat verlangen vandaan komt) wordt ook niet op tramrit 15 ingewilligd. Alhoewel de tram de uitgestrekte omtrek van de staalfabriek volgt, blijft alles weggedoken achter dikke meters zomergroen. Het enige wat de aanwezigheid van Mittal Steel verraadt is de onmiskenbare staalgeur die met ons meereist tot het einde van de tramrit. Ik berust in mijn lot, schiet onopvallend kiekjes van voorbijflitsend groen en concentreer me op wat komt : drie kwartier wachten op een aansluitende bus, in het gezelschap van Poolse plattelanders.


Bus 251 brengt me tot dichtbij een houten 17de eeuwse kerk, die ik ontdek na herhaaldelijk polsen bij tuinierende inwoners van Kosciélniki. Dat polsen verloopt moeizaam. Ik gebruik papier, pen en mijn bescheiden tekentalent om te weten te komen hoe ik precies lopen moet. De kerk ligt op een kunstmatige heuvel, alweer verdoken in een sluier van groen. Het is er heerlijk rustig en koel en er is, behalve ik, geen kat. Het landschap achter de kerk doet me naar adem happen. Als ik mijn ogen halfdicht doe, dan had ik in glooiend Pajottenland kunnen staan. Een stukje thuis zo ver van huis. Dat valt onverwacht mee. Na enige momenten van verrukking heb ik het gehad en loop ik de hele weg terug, naar de ruïnes van het landhuis van Kosciélniki.


Het landhuis dateert uit de 14de eeuw en is sindsdien aan bijzonder veel landheren en metamofoses onderhevig geweest. Nadat de laatste bewoners aan de einde van de tweede wereldoorlog uit het landhuis trokken, werd alles wat los stond in het huis gestolen en alles wat vastzat losgeschroefd, tot raamkozijnen toe. Hier gestationeerde Russische soldaten waren nu eenmaal niet de respectvolle burgers die er aanvankelijk hun intrek hadden. Vandaag wordt het landgoed afwisselend beschermd en aan haar lot overgelaten. De verwoestingen van de afgelopen decennia maken renovatieplannen bepaald moeilijk. Het landgoed kan worden bezocht na afspraak, maar ik sta er nu, onaangekondigd.


Achter de prikkeldraad die de hele zijde van de weg siert vermoed ik het landhuis. Het blijft zoeken naar de ingang maar uiteindelijk vind ik een traliedeur waarop een dreigende boodschap prijkt die ik intuïtief min of meer begrijp. Nochtans komt een jongeman uit een klein huisje hollen. Ik knik hem toe en vat aan in voorzichtig Pools, opdat hij me positieve aandacht zou schenken. Hij kijkt me verbluft aan. Dan schakel ik over op Engels, Frans en gebarentaal. Ik toon hem mijn camera. Net als ik zo goed als zeker ben dat hij me de laan uitstuurt, trekt hij de (niet-gesloten!) traliedeur open. Hij glimlacht breed (mag ik dit vertrouwen?) en gebaart gastvrij dat ‘zijn’ land mijn land is voor de tijd die ik nodig heb. Ha ha!
















Ik kom weer uit bij de traliedeur en krijg de bewaker niet meer te zien. Aan de overzijde van de straat ligt een winkeltje dat een onderkomen heeft gevonden in een bouwvallige bunker. Een nette, oude dame spreekt me toe, maar ik begrijp geen snars van wat ze verhaalt. Dan begint ze te schaterlachen. Haar lichaamstaal maakt me duidelijk dat ze zich best amuseert met verdwaalde toeristen, en ik lach mee. Ik bestel enkele kleine spulletjes en geef haar meer dan ze nodig heeft. Even denk ik dat ze zal weigeren. Ik betrap mezelf op misplaatste menslievendheid. Maar dan stopt ze het geld weg en neemt mijn handen in de hare. We hebben vriendschap gesloten.


Het bushokje biedt beschutting tegen de blakende middagzon. Het ruikt er muf naar opwarmend hout, maar het stalen (staal!) zitbankje is netjes. Als ik erop ga zitten reiken mijn voettippen net de grond. Het is een beetje onhandig, maar ik ga niet zeuren. Het is er te warm voor. Ik stop mijn camera diep in mijn tas, en haal wat brood, dat ik ’s ochtends klaarmaakte, naar boven. Uit het niets duikt een jongeman op, met een sporttas over zijn schouder. Hij draagt sportieve kledij. Zijn haren zijn halflang, hij heeft een open blik en ik kan enkel hopen dat hij me niet lastigvalt. Ik neem een tweede hap van mijn boterham als hij me hartelijk smacznego wenst. Ik knik slechts, want mijn mond zit vol brood. Hij kijkt me ontwapenend vriendelijk aan. Ik heb niets te vrezen. Als mijn knabbel is doorgeslikt zeg ik waarheidsgetrouw : przepraszam, nie rozumiem.

Hij knikt en plaatst zijn tas op de verharde grond. In gebarentaal maakt hij me duidelijk dat hij dorst heeft en ik meen te begrijpen dat hij wil weten of er in de buurt een drinkplaats is te vinden. Natuurlijk is die er, ik kom er net vandaan. Ik leg hem uit, in het Engels, waar hij woda vindt. Hij knikt dankbaar, maar aarzelt. Met zijn hand wijst hij in de richting van het busuurrooster. Ik begrijp hem! Ik toon hem dat hij nog twintig minuten heeft, ruim voldoende om drank te halen en terug te keren. Op een drafje verdwijnt hij. Zijn sporttas laat hij achter.

Hij staat in een mum van tijd terug voor me en biedt me een cola aan. Ik schud mijn hoofd, toon hem het water dat ik drink. Dan vraagt hij me in een mengeling van Pools, Duits en Frans wat ik in godsnaam in Kosciélniki doe? Hoe kan ik hem dat beginnen uitleggen? In een verwarrende mix van Engels, Duits, Frans en Pools maak ik hem duidelijk dat ik de oude 17de eeuwse kerk ben komen opzoeken en de landhuisruïne, net achter de bocht. Hij knikt en schudt meewarig zijn hoofd.

Dan peilt hij naar mijn belangstelling in Kraków. Als ik hem nu probeer duidelijk te maken dat ik al de derde dag in Nowa Huta rondhang, verklaart hij me misschien gek. Maar ik waag het erop. Als hij wezenlijk met zijn wijsvinger tegen zijn rechterslaap het universele symbool van-lotje-getikt trommelt, glunder ik. Hij schakelt over op mime. Het duurt een hele poos vooraleer ik doorkrijg dat hij stijfbenig en met een strak voor zijn borst gespannen arm Lenin nabootst. Ik heb gelezen over Lenins standbeeld op de Aleja Roz dat bij de val van het communisme werd gedemonteerd. Ik knik. Het ijs is gebroken. Hij vertelt dat hij heel zijn leven in Huta doorbracht en er nu ook werkt (hij legt laminaatvloeren). Met zijn prille gezinnetje heeft hij intrek genomen in één van de industriële woonblokken waardoor ik mateloos word gefascineerd. Zijn naam is Mickelju, hij is achtentwintig, zijn zoon is twee. In Huta wil ik ’s avonds niet alleen rondlopen. Ik knik gedwee. We merken in onze drukke conversatie de bus niet op, maar de chauffeur is gelukkig attent.

We gaan bij elkaar zitten. Onmiddellijk wordt me duidelijk dat een Pool niet bij een buitenlander gaat zitten, en al helemaal niet op expressieve wijze met een buitenlander communiceert. We worden aangestaard. Maar Mickelju lapt het aan zijn laars. Zijn woordenstroom is onaflatend. Hij kwam eerder in Duitsland, meestal voor voetbalwedstrijden. Hij is handig in zijn gebarentaal en met toevoeging van enkele kernwoorden kan ik perfect volgen wat hij zegt. Ik snap ook dat voetbal hem matig interesseert. Hij houdt wel van het onderweg zijn naar elders. Ik glimlach hem toe. Ik begrijp hem genadig goed.

Nadat we aan het eindpunt uit de bus stappen, maakt Mickelju me duidelijk dat hij een andere richting uit moet. Hij toont me waar ik tram 15 neem en ik knik welwillend. Hij gooit zijn tas over zijn schouder, lacht me breeduit toe en schudt zijn kop, net als Depardieu dat zo bevallig kan. Ik schiet in de lach. Hij aarzelt, komt op me toelopen en neemt mijn hand in de zijne. Het is een koele, verweerde hand. Hij zegt traag en bevallig dat hij ons gespekje leuk heeft gevonden Ik begrijp voor één keer het Pools feilloos. Have a good life, wens ik hem oprecht toe. Ik ben er op mijn beurt van overtuigd dat hij mijn eenvoudige Engels heeft begrepen. Hij draait zich om en loopt van me vandaan, zijn toekomst tegemoet.


Geen opmerkingen: