zaterdag 8 september 2007

warszawa 2004-2006

5. (laatste deel in de quintologie - ugh?)

In augustus 2004 verhuizen kennissen oostwaarts voor het werk. Thors beste vriend Bram verhuist mee. In het najaar zetten Thorwald en ik voor het eerst voorzichtig voet aan wal op Pools grondgebied. Na een degelijke vlucht, verzorgd door ouderwetse airhostessen in een onooglijk klein vliegtuigje is de toon gezet voor een geheel nieuwe ervaring, met name reizen in Midden-Europa.

We worden door Brams ouders opgepikt in de luchthaven en meteen ook getrakteerd op een zenuwslopende verkeersdoop. Ik zit met dichtgeknepen ogen achterin, Thorwald vindt het autogejongleer best cool, en de inwijkelingen zijn er inmiddels aan gewend geraakt : de Poolse wegpiraterij. Ik weet niet goed wat ik ervan denken moet, behalve dat het me angst inboezemt. Het is november. Het grijze najaarsweer zal er voor iets tussen zitten, troost ik mezelf.

Onze eerste indrukken van Polen zijn nogal bescheiden. Die eerste keer is het karnavalsweek en Thorwald komt Brams kamer niet uit (x-box, etc), ook niet om de binnenstad van Warschau te verkennen. De familie neemt me wél op sleeptouw naar STARE MIASTO, het oude stadsgedeelte. Alhoewel het bevallige marktplein een geslaagde kopie is van het origineel, dat in de tweede wereldoorlog volledig werd verwoest, werkt het katalyserend op mijn estethische barometer. En ook de avondwandeling die Christine en ik maken op het immense kerkhof in de buurt van waar ze destijds wonen, koester ik als een natural high. Nooit eerder gezien noch gevoeld : tienduizenden kaarslichten op een duizendtal graven. Ik overdrijf niet. Met Allerheiligenweek wordt élke grafsteen bedolven onder een veelvoud van gekleurde glazen, potten en bokalen met dààrin aangestoken kaarsen, ter eerbetoon aan de dierbaar overledenen. Een argeloos gesprekje hier gevoerd blijft lang nazinderen. Jammer genoeg geen foto’s van dat event. De Polen appreciëren pottenkijkers niet.

Pas vorig jaar krijg ik Thorwald mee naar de binnenstad van Warschau, en dan nog enkel omdat zijn vriend inmiddels is afgereisd naar het thuisland en “hij toch niks anders te doen heeft”. We passen gedurende enkele dagen op het nieuwe huis in Powsin, dat zich aan de zuidkant van de hoofdstad bevindt. Vooraleer we zelf afreizen wil ik Thorwald enige Middeneuropese cultuur bijbrengen. Het lukt me matig, maar hier gaan we.

WARSZAWA ZOO
Ik heb het altijd leuk gevonden om in een grootstad de plaatselijke zoo op te zoeken. Betreft het jeugdsentiment, is het uit solidariteit met de dieren of doe ik een toegift aan een jongensverlangen? De zoo is uitgestrekt groot en we kuieren op weg erheen langs onbekende stadsdelen en over de immens brede Wisłarivier. Nooit eerder zo’n brede rivier overgestoken over een imposant hoog boven het water uittorende drukke (!) autoverkeersbrug. Naïef vergelijkend zou ik durven stellen dat de Wisła vijf maal de breedte bedraagt van de good old THAMES. Een hele ervaring dus. Als we ons bezoek aan de dieren beëindigen breekt een onweer boven de stad los dat ons noopt een kwartier lang onder de boombla’ren van het PRASKI PARK te schuilen.

MUSEUM NARODOWE
Het is vooral het drankje achteraf dat Thorwald intrigeert bij ons bezoek aan het Nationaal Museum. Toch doet hij ook wel zijn best om plaatjes te kijken en doeken te appreciëren. De bureaucratie slaat genadeloos toe : de zaal die ik het liefst wil inkijken is dicht voor de zomer. Ik krijg mezelf niet uitgelegd aan een kordate suppoost. Thorwald werkt het op de lachspieren. Ik haal mijn schouders op. We lopen toch maar nukkig op de bewuste zaal af, want ’t zou niet de eerste keer zijn dat... en absoluut! De zaal is gewoon open. Ik snap NIKS van die culturele Polen! Ik ontdek er Olga Boznańska.

STARE MIASTO
In deze buurt lopen alle toeristen op enkele vierkante kilometers in dichte drommen samen. Het is bij wijlen petit Paris, maar dan op zijn Pools. De PYSANKI tieren welig. Gelukkig zijn de folkloristische, beschilderde eitjes doorgaans gemaakt uit hout, hetgeen importatie mogelijk maakt. Duurdere exemplaren durven best wel in originele eierschaal komen. Het zijn pàrels aan de Poolse kroon.

Maar Thorwald is vooral geïnteresseerd in eten. Ik neem hem mee naar een pizzarestaurantje.

Het drukke gewoel op de Oude Markt achter ons latend, lopen we langs het Nieuwere Marktplein het KRASIŃSKICH PARK in. Aan groene zones ontbreekt het in Warschau gelukkig niet. De gebouwen in de binnenstad ogen uit de tijd en dragen bij tot een authentiek grootstadgevoel. Maar aan de rand van Warschau ontwikkelt zich een ander verhaal. De Poolse bouwwoede is onstuitbaar.

Op nauwelijks drie jaar tijd heb ik het stadslandschap ingrijpend zien veranderen. Commerciële centra rijzen op als paddestoelen en ogen bepaald niet aanlokkelijk. Alle hens aan dek voor westerse glamour en winkelen op zondag.




PAŁAC W WIŁANOWIE

Niet ver uit de buurt van waar we logeren ligt Wiłanow, in het PARK ANGIELSKI. Het is een hete zomerdag als we er met een aftandse bus heen togen. Bijna sprookjesachtig ligt het slot op ons te wachten. Vrij snel lig ik argeloos in de clinch met een suppoost die zich in het Pools druk maakt over mijn gsm, die (kun je ’t raden?) overgaat. Misplaatst chauvinstisch zijn ze toch wel, die Polen. Ik heb de inwendige vraag, of ze als volk wellicht een weinig verantwoordelijk waren voor hun pijnlijke voorgeschiedenis, al een poos achter me gelaten. Feit is dat ze de westerse toerist bepaald niet met open armen ontvangen. De doorsnee stadse Pool bezondigt zich schaamteloos aan argwaan, achterdocht en openlijke keuring, en het vraagt wat van je, als toerist, om die dingen te negeren. Dat gezegd zijnde draag ik door aangename ervaringen de Poolse plattelandsbewoner een warm hart toe.

En dus....
Polen is uiteindelijk geen land dat me aanlokt, terwijl het (voorlopig) een budgetvriendelijke bestemming blijft. Kraków is een aanrader voor een romantisch weekend weg. Minder voor de hand liggend dan andere Europese bestemmingen verrast het qua authenticiteit en een jonge, vooruitstrevende sfeer (universiteitsstad). En je eet er lekker…. pierogi… Mhhhmmm.

Ik zou er wellicht nooit zijn beland als ik niet de gelegenheid had gehad om erheen te kunnen op uitnodiging van de Longmores. Ik ben hen, alsook Springer (soms toch wel heer des huizes), dankbaar.

Geen opmerkingen: