dinsdag 25 maart 2008

het raymond carver incident

Halverwege de eighties woon ik twee hoog, boven een pharmacie, in de Brusselse Schumanwijk. Gezellig, rustig en welkom na het geroezemoes van de Marollen. Ik werk in een kineschool als ‘onderhoudspersoneellid’, hetgeen in realiteit neerkomt op zalig dwalen door gangen, kinebedden afstoffen, en tijdens de pauze de kantine openhouden, in het gezelschap van capricieuze Christiane. In goeie dagen een echte lol-madam, als ’t onweert echter het monster van LochNess : bestaat het of bestaat het niet? Al goed dat de studenten, die maar een paar jaar ouder zijn dan mezelf, in hun entoesiasme die donkere dagen verblijden. De school is er inmiddels niet meer. Er zit nu een up&coming advokatenkantoor in het oude herenhuis aan de Spastraat. En ik woon niet meer in Brussel. Maar er overkomt me daar iets wat zich tot vandaag herhaalt in mijn leven. Niet alleen in mijn leven. Waarschijnlijk in ieders leven.

Ik lees THE FACE in die tijd, want Waterstone’s heet nog WHSMITH en is nog een beetje bijzonder en de enige plek in Brussel waar onalledaagse magazines worden verkocht. WHSMITH vormt mijn bescheiden connectie met de wereld. Op een middag vind ik er, behalve de laatste THE FACE-editie een verhalenbundel, waarvan de cover me meteen aanspreekt. Ik besnuffel het boek een beetje, ken het volstrekt niet, heb nooit gehoord van de auteur. Raymond Carver rinkelt geen enkele bel. En ik merk dat ik mezelf een boek cadeau doe. Op de bus huiswaarts begin ik te lezen en mis ik mijn stop. Bij het avondeten laat ik de omelet aanbranden. Onder het douchen brand ik mijn vel aan het hete water. Ik ben in gedachten verzonken en bevind me in de achtertuin van een groot verhalenschrijver. Het spreekt voor zich. Carver heeft me vast. Ik moet alles van hem vinden. Ik maak het tot mijn persoonlijke, kleine odyssee om wat de man schreef op te zoeken en uit te wroeten. Dit is geen klein bier. (Bier! Wat een bittere allusie.)

Als ik naar bed trek en THE FACE onder mijn arm klem, opdat verstrooiende prentjes me op een trager ritme naar de nacht kunnen voeren [en bij god niet Carvers’ tragiek; ik moet me losrukken] besef ik niet wat me te wachten staat. Verwacht ik hoegenaamd iets? Carver heeft me alles gegeven in een tijdsbestek van een paar uren : mijn kindertijd, mijn jeugd, mijn adolescentenjaren, mijn jongvolwassenheid. Zo diep is hij doorgedrongen, zo verwant voel ik me aan zijn directe schrijfstijl die me tot vandaag zalig achtervolgt. Ik sla quasi ontspannen dat blad open en blader, en kijk, en lees een snippet. Totdat ik, half in slaap vermoed ik, over een overlijdensbericht struikel waarvan de inhoud doordringt en ook weer niet. In niet mis te verstane doodgraverstaal staat het er : Raymond Carver is niet meer ; hij is dood ! Dat zal ik nu voorhebben. Ontdekken; en te laat. Woelen, dolen, door de donkere, veel te lange nacht.

Om voorzichtig terug te komen op de inleidende titel. Vorige week ontdek ik in de bib MORNING RUNNER. Schitterend cd-hoesje, bangelijk confronterende muziek die commerciĆ«le fluff als cold play of snow patrol achter zich laat. En whaddayaknow? “Uitgeblust, inspiratie opgedroogd, commerciĆ«le druk te hoog, gedaan”. Dood, als pieren. Ik leer het groepje kennen, ze zijn al niet meer. De snelheid waaraan heden verleden wordt is verbazingwekkend.


Geen opmerkingen: