maandag 2 juni 2008

transit

Het is een poosje geleden dat ik de dagkliniek van het plaatselijk ziekenhuis opzoek. De service is gewoonlijk snel, maar vanmiddag is het wachten op godot. Geheel tegen mijn gewoonte in loop ik de smalle gang uit, op weg naar een andere afspraak en een andere wachtplek. De dokter in traditioneel wit loopt af en aan en merkt en passant op dat het regent op roland garros. Van waar ik zit kan ik het kwetterende gebeuren op drie televisiezenders volgen; tennis rechtstreeks, de andere beelden worden weerspiegeld in de ziekenhuisruit. Neen, ik geloof niet dat ik enige boodschap heb aan televisiebeelden en -klanken bovenop het gekrakeel van de wachtenden, maar afstandsbedieningen zijn hier niet. Ik hef mijn hoofd naar de flat screen tegen de wand.

Gebiologeerd kijk ik naar het opvouwen van het zeil dat het rosse grind op de Parijse tenniscourt heeft weten te beschermen tegen de regenval. Met zijn zessen trekken jongens het canvas over de grond, totdat het van regen gespaard gebleven veld in volle glorie tevoorschijn komt. Ik veronderstel dat de tennissers zullen herbeginnen. Niets is minder waar. Daar zetten enkele van de loopjongens aan met het goedleggen van het grind. Brede, sleeptouwachtige harken worden over de oppervlakte van beide helften van het speelveld gehaald. Fascinerend. Ik kan wel blijven kijken. Ik besef dat ik de tennissers niet eens mis.

Mijn oog glijdt af naar een oudere dame die klaar is bij de dokter. Ze loopt met behulp van krukken. Haar flinterdunne haar wordt bovenop haar hoofd bij elkaar gehouden met een plastic knijpertje, de zwiepjes grijs bedekken haar schedel nauwelijks. Is het de herinnering aan vroeger, trots of vasthoudenheid die haar noopt tot een haarstijl die haar broosheid geweld aandoet. Met trefzekerheid nochtans haalt ze een corpulent man in, getooid in een zwart t-shirt. In gothische rugletters verzoekt het shirt om LET’S ROCK, bestendigd door een zilveren vuist. Uit de andere richting komt een man van middelbare leeftijd ontspannen in het kielzog van zijn vrouw slenteren. Toch lees ik ongelovig van zijn borst af DESTROY AND REPLACE. Ik vraag me af of mensen zich bewust zijn van de boodschappen die ze meedragen?

Ik hoor eindelijk mijn naam, alleen niet uit de mond van bedienend personeel. Een oude bekende stevent hinkend af op de stoel naast de mijne. Ongevraagd ploft ze neer, onderwijl ratelend dat het bijna haar beurt is, waarna ze me haarfijn uit de doeken doet welk haar probleem nu eigenlijk is. Als ik eindelijk op consultatie mag komt mijn beurt als geroepen. Toch word ik vriendelijk maar dringend verzocht uitleg te verschaffen bij de vraag op het bevelschrift: wil ik dit, of de huisdokter? Verbluft staar ik de gespecialiseerde arts aan. Ik voel me heerlijk opgezweept door een overmaat aan verstrooiing en antwoord gevat dat ik niet de dokter ben. Een taxerende blik over de rand van de doktersbril kan me niet vermurwen. Ik krijg te horen dat ik ‘rationeel’ ben, blijkbaar een ‘uitzondering’. Ik laat in het midden of de commentaar lovend bedoeld is. De ironie ontgaat me niet, de humor evenmin.

3 opmerkingen:

didiermaurice zei

tegelijkertijd rationeel en betoverend; hoe observeren alle richtingen uit kan stuiteren... zelfs kan lijden naar poëzie. Doet me denken aan Wislawa Szymborska, ik weet niet waarom?

didiermaurice zei

leiden tot poëzie... significante fout?

traveling.... in huis en erbuiten. zei

Zalige lapsus
:)