vrijdag 15 augustus 2008

childhood insomniac

IDEAL HOTEL op de G.helling aan de oostkant van de zeedijk in Blankenberge is niet langer ouderwets mondain, maar nieuwerwets heropgebouwd, inclusief een viertal penthouses met dwarszicht op de duinen. Vanuit POSEIDON zocht ik als kind steevast naar bewegende figuren achter duistere hotelramen; naar één enkele vroege vogel die zijn wandeling bij het ochtendgloren aanving, al dan niet in het gezelschap van een schoothond; of naar een eenzame zwemmer in het kleine chloorbad dat in de kelderverdieping was ondergebracht, en waarnaar ik spiedde met mijn speelgoedverrekijker. Ik maakte mezelf wijs dat ik iets van belang aanschouwde.

Vandaag is de vertrouwde, braakliggende grond, die zich twintig jaar lang uitstrekte tegenover de residentie, verdwenen. Er kwam een reusachtig wooncomplex aan een nieuwe straat in de plaats, in een New England-stijl die me vreemd genoeg bevalt. Blankenberge slaagt er op de valreep in om hedendaags mondain te koppelen aan vergane glorie. Het is dat het allemaal verder leeft in mijn hoofd ook, natuurlijk : de kusttram die zich om de tien minuten een weg klingelt langs de duinenkant, en die pas zwijgt na één uur ’s nachts. De ochtenduren die ik met glazen ogen vanachter het kamerbrede schuifraam aanschouw, vervuld van anticipatie over de nakende dag. Dat ideale plekje van één meter diameter was gisterennacht heel even mijn prive kampeerplaats in herinneringsbaai.

En behalve dat, véél geschrob, geploeter, gestofzuig en gezang. We hebben weer een fijne plek aan zee om heen te trekken, zomer én winter.

1 opmerking:

didiermaurice zei

camping kosmos waar een meisje droomt en vergeef me dat ik dit gedicht hier post. Ik weet wel, het klinkt oudbollig maar het is toch bijzonder:

Insomnia

Denkend aan de dood kan ik niet slapen,
En niet slapend denk ik aan de dood,
En het leven vliedt gelijk het vlood,
En elk zijn is tot niet zijn geschapen.

Hoe onmachtig klinkt het schriel 'te wapen',
Waar de levenswil ten strijd mee noodt,
Naast der doodsklaroenen schrille stoot,
Die de grijsaards oproept met de knapen.

Evenals een vrouw, die eens zich gaf,
Baren moet, of ze al dan niet wil baren,
Want het kind is groeiende in haar schoot,

Is elk wezen zwanger van de dood,
En het voorbestemde doel van 't paren
Is niet minder dan de wieg het graf.


J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Verzamelde gedichten, Polak & Van Gennep, 2de dr. Amsterdam 1965