zondag 2 november 2008

kans

donderdagavond - Op de Keizerinnenlaan word ik aangesproken door een heerschap van middelbare leeftijd, in jeans en olijfgroene trui. Zijn ogen staan donker, staan licht. Watergroenig blauw. Advocate-of-the-devil-ish. Hij roept als het ware mijn naam, ik kijk op. Verontschuldigend loopt hij op me toe en verklaart dat het om mijn hoedje gaat, en ‘of ik wellicht de tijd heb om een babbel te slaan, vanwege het hoedje, het is het hoedje dat het hem doet, en of ik de richting van het station uitloop, werkelijk, en of ik vijftien minuten van mijn tijd kan uitsparen voor zijn waanzin, en ben ik getrouwd wellicht, en maakt het wat uit?’ Ik roep hem halt toe. Ik moet. Ik zeg, wil je lui-ste-ren? ‘Wat? Neen! Je spreekt Nederlands, hoe toepasselijk (waarop?)! Ik zeg hem, in zenuwachtig Frans, ‘Niet vandaag, nee’. Het lacht, het is verdwenen. Zijn laatste woorden vis ik op uit het voorbijrazende verkeer. ‘Pas de problème, m’enfin!’.

vrijdagmiddag - In de Kattestraat spreekt Matthias D. en mezelf aan. Hij loodst zijn fiets onhandig over straat. Hij roept ons toe : ‘Dames!’. We houden halt. Ik herken hem. Ik zie hem wel ’s een keer op straat. Dan zit hij op een bankje, de wereld toe te kijken. Ik vraag me af of het een ongeluk is geweest dat hem beperkt in zijn bewegingsvrijheid? Matthias vat aan. ‘Of wij het impertinent van hem vinden, dat hij het woord richt tot D. Maar hij wilde zich de kans niet laten ontglippen. Hij is nog geen dertig, en hij vindt van zichzelf dat hij ervoor moet gaan. Als hij iemand tegen het lijf loopt die hem zint, dan wil hij dat kunnen zeggen. Hij had een ongeluk, lang, lang geleden. En dat maakt hem trager en minder mobiel. Op de fiets is hij iets zelfzekerder dan te voet. Concentratie! Wat denk je, D. Zie je het zitten?'

Twee toevallige ontmoetingen. Zo anders.

Geen opmerkingen: