maandag 2 maart 2009

zeven conversaties met een kat


De grens tussen vlaanderen en walloniƫ is zo dun als je hem denkt. Als de zon uit is, dan is de grens onvindbaar. Passanten in de straten van Lessines spreken Vlaams, katten fluisteren koeterwaals. Meer dan dat, ze volgen je (de katten); ze zijn moeilijk te schudden. Het zou den tijd van het jaar kunnen zijn, de belofte van de lente. Langs het water ligt een onverwachte herinnering aan glorietijden die Lessines moet hebben gekend. Het verroeste monument transporteerde meel, dat verderop in de Rue des Quatre Fils Aymon werd fijngemalen. Rustige wandelstraten die heden door de armsten uit de stad worden bewoond. En door katten.

In de kringwinkel vertrouwt de dame achter de toog me toe dat ze stress heeft van haren zoon. Die zoon zit zonder opkijken op een bankje te lezen. Ik frons mijn wenkbrauwen. De dame voelt zich eenzaam? Ik houd haar aan de praat. Ze leert Nederlands van haar baas. Ik ken haar baas; dat is vast Bargoens dat ze wordt onderwezen. Ik leid haar naar een armstoel die ik wil reserveren, een intrigerend degelijk gestel, met een koningsblauw zitkussen en een koningsblauw rugkussentje. Geen koningen heeft die stoel gekend, op de ommekant een officieel plaatje : “property of US government”.

Ik geef toe, soms ben ik een labelmens.